Hoe te certificeren op schuldhulpverlening met NEN en/of met HKZ norm?

Organisaties binnen Welzijn kunnen zich verschillend op schuldhulpverlening laten certificeren. Zij kunnen kiezen voor het HKZ-certificatieschema Maatschappelijke Hulp en Dienstverlening waar schuldhulpverlening in is opgenomen, voor de NEN of voor beide.
Voorop staat dat alle betrokken partijen de kwaliteit van de schuldhulpverlening belangrijk vinden. En dat het certificeren een middel is om te werken aan kwaliteit en om dat zichtbaar te maken.

Op dit moment bestaan drie certificatieschema’s:

  1. Het HKZ-schema Maatschappelijke Hulp en Dienstverlening (MHD), waarbinnen de schuldhulpverlening één van de activiteiten is
  2. De NEN-norm voor procescertificatie schuldhulpverlening
  3. De NEN-norm voor persoonscertificatie.

Schema’s
De schema’s verschillen wel van elkaar. Het HKZ-schema is een normenkader voor een kwaliteitsmanagementsysteem (KMS). Het beschrijft algemeen de eisen waaraan een organisatie dient te voldoen om de kwaliteit te beheersen en te verbeteren. Het betreft dan kwaliteit van zorg direct aan de patiënt (het primaire proces) en de kwaliteit van bijvoorbeeld beleid en werkomgeving (de secundaire processen).

NEN-normen
De NEN-normen zijn schema’s voor proces- en persoonscertificatie. Ze beschrijven nauwkeurig het primaire proces van schuldhulpverlening en de eisen waaraan een schuldhulpverlener moet voldoen.
Bovenstaande verschillen en de accreditatienorm die voor beide schema’s verschilt hebben gevolgen. Daarom kunnen HKZ en NEN niet in elkaar worden geschoven of gedeeltelijk worden overgenomen. Overeenkomst is dat bij de ontwikkeling van beide schema’s inhoudelijke afstemming heeft plaatsgevonden tussen betrokken partijen. Daardoor komen ze inhoudelijk wat betreft schuldhulpverlening volledig overeen. Ook bij de herziening van een schema vindt afstemming plaats tussen betrokken partijen:

  • NEN en HKZ wisselen informatie uit
  • De MO-groep zit in commissies voor zowel het NEN-schema als het HKZ-schema; bij herzieningen kan zij informatie inbrengen in beide werkgroepen.

Certificerende instellingen (CI-en) bepalen zelf of zij voor één of voor beide schema’s geaccrediteerd willen worden.